
Op 12 mei 1940 begon één van de heftigste gevechten uit de Nederlandse geschiedenis: de Slag om de Grebbeberg.
Het was de derde dag van de Duitse aanval, en voor het eerst stond het Nederlandse leger oog in oog met de volle kracht van de Duitse oorlogsmachine.
De Grebbeberg: een sleutelpositie
De Grebbeberg ligt bij Rhenen, aan de rand van de Utrechtse Heuvelrug. Het was een belangrijk deel van de Grebbelinie – een verdedigingslinie die het westen van Nederland moest beschermen. Wie de Grebbeberg veroverde, kon makkelijk verder trekken richting het hart van het land.
Op 12 mei begonnen de Duitsers hun aanval met zware artillerie: granaten sloegen in op loopgraven, bunkers en schuilplaatsen. De lucht trilde van het lawaai. Nederlandse soldaten, vaak nog jonge mannen, hielden stand onder moeilijke omstandigheden.
Ongelijke strijd
De Nederlandse soldaten vochten moedig, maar ze waren zwaar in het nadeel. De Duitsers hadden meer manschappen, betere wapens en luchtondersteuning.
Toch werd er fel gevochten — man tegen man. Sommige bunkers werden tot het uiterste verdedigd.
De Grebbeberg werd die dag meerdere keren aangevallen en heroverd. De grond raakte bezaaid met puin, gesneuvelden en verbrande voertuigen.
Angst en verwarring
In de omgeving van Rhenen sloegen veel burgers op de vlucht. Boerderijen brandden af, en de rook hing over het dal.
Voor de soldaten was het een chaos: bevelen kwamen te laat of helemaal niet aan. Communicatie was moeilijk, want veel telefoonlijnen waren kapotgeschoten.
Toch bleven de Nederlandse troepen vechten, in de hoop dat de Fransen of Britten snel zouden komen helpen.
Een dag van moed
Ondanks de overweldigende kracht van de Duitsers gaven de Nederlanders niet op. Velen sneuvelden terwijl ze hun posities verdedigden.
Hun moed maakte diepe indruk — ook bij de vijand. Later werd zelfs in Duitse rapporten erkend hoe fel de Nederlanders vochten.
De strijd nog niet voorbij
Aan het eind van 12 mei was de Grebbeberg nog niet volledig in Duitse handen, maar de situatie werd steeds moeilijker.


